Aggiornamento? Even doordenken

Er is nood aan een nieuw paradigma.
Er is op dit ogenblik in West-Europa zowel een grote hunker naar spiritualiteit en een toenemende behoefte aan zingeving als tezelfdertijd een sterke  stroming van ontkerkelijking en geloofsafval. Deze merkwaardige paradox wijst op een dubbel probleem: enerzijds het probleem van een laïcistische cultuur die de religie wil elimineren of naar de periferie verbannen en anderzijds het probleem van de institutionele kerken die er niet meer in slagen met hun traditioneel geloofsaanbod aan de noden te voldoen.  
De wisselwerking tussen geloof en cultuur is sterk getekend door de impact van de zogenaamde “moderniteit” op het religieuze denken, aanvoelen en beleven. We kunnen moeilijk ontkennen dat wij vandaag de dag allemaal in mindere of meerdere mate erfgenamen van de Verlichting zijn en dat wij onze plaats in het leven, in de wereld en in de geschiedenis niet meer definiëren vanuit een religieuze optiek. Dat wil niet zeggen dat alle religiositeit daarmee radicaal verworpen is – het ritselt en knispert alom - maar wel dat veel traditionele geloofsbeelden en voorstellingen niet meer functioneren. 
We weten vanuit de geschiedenis hoe het paradigma van de moderniteit vanaf de late middeleeuwen is ontstaan en ontwikkeld vanuit een houding van protest en revolte tegen het vorstelijk en kerkelijk absolutisme. De katholieke kerk heeft daarop heel defensief gereageerd door haar structuur en organisatie te verstrakken en haar leer scherper te omschrijven maar ze heeft weinig of geen inhoudelijke vernieuwing toegelaten. Intussen is in de voorbije eeuwen in de westerse wereld een cultuurmodel tot ontwikkeling gekomen dat zich van god en godsdienst heeft afgewend. 
De wetenschap heeft zich ontwikkeld op grond van een zuiver menselijke rationaliteit. Een groot aantal instellingen en organisaties hebben hun naam veranderd en de C of de K eruit geweerd. Ook de grote politieke stromingen van de moderne tijd (liberalisme en socialisme) hebben zich afgekeerd van kerk en godsdienst. De moderne natiestaten hebben niet alleen het principe van de scheiding van kerk en staat onderschreven maar voeren ook een beleid dat in hoofdzaak focust op economie en welvaart. Economie is trouwens wereldwijd zowat de nieuwe religie aan het worden. 
De slinger van de geschiedenis is heel ver naar de andere kant doorgeslagen. We zitten nu volop in een cultuur van grenzeloos materialisme en hedonisme, geestelijke leegte en morele verwarring. De dominante filosofie van deze tijd is deze van de individuele zelfontplooiing en narcistische zelfbevestiging. Vandaag de dag botst dit model aan alle kanten op zijn eigen grenzen en ontsporingen. In vele sectoren van de civiele maatschappij heerst overigens een even grote crisis als in de kerken (politiek, economie, bankwereld, justitie, gezin, opvoeding, onderwijs, enz.). 
Dat alles heeft bijgedragen tot een zeer dubieus maatschappelijk klimaat dat uiterlijk gekenmerkt is door nooit geziene vrijheid, welvaart en overvloed maar innerlijk getekend is door kwellende gevoelens van onrust, onvrede en onbehagen. Voor de toekomst van onze westerse samenlevingen is de aandacht voor een gezonder geestelijk klimaat een absolute prioriteit. Europa heeft dringend nood – zo zegt en schrijft men - aan “een nieuw paradigma” en precies daarin ligt voor de kerken een grote uitdaging tot vernieuwing en herbronning.

Herdefiniëren van de basisbegrippen in verband met God en godsdienst. 
Voor Hans Küng zijn er in de katholieke kerk drie grote problemen: de middeleeuwse structuur, de middeleeuwse theologie en de middeleeuwse liturgie. In de Middeleeuwen heeft de Kerk onmiskenbaar een indrukwekkende bloei gekend en een stempel gedrukt op de westerse cultuur en beschaving maar ze heeft de confrontatie met de opkomende moderniteit slecht verwerkt en is blijven steken in hooghartige eigenwaan. Het is tragisch dat de Kerk van nu daar nog altijd moet voor boeten. 
Het was trouwens de Brugse bisschop De Smedt die op het concilie van de jaren zestig de Kerk opriep om afstand te doen van “juridisme, klerikalisme en triomfalisme”. Dat klonk toen heel beloftevol maar we zijn intussen alweer een halve eeuw verder en van echte vernieuwing is er niet veel in huis gekomen. De wortels van de huidige crisis van kerk en geloof liggen niet in de jaren zestig of zeventig van vorige eeuw maar in een veel verder verleden. 
Godsdiensten zijn menselijke cultuurproducten en zijn als zodanig getekend door historiciteit en dus vatbaar voor verandering en vernieuwing. Het begrip “historiciteit” heeft immers niet alleen betrekking op historische waarheid maar ook op de verwevenheid van de cultuur met de concrete context van tijd en ruimte. Als we bovendien erkennen dat geschiedenis en traditie geen statische gegevens zijn maar een complex samenspel van continuïteit en discontinuïteit, hebben we een bijkomend argument om te pleiten voor verandering en vernieuwing. De uitdaging is erin gelegen het geloof te ontdoen van zijn historische ballast en werk te maken van een nieuwe geloofstaal. Veel oude formuleringen zijn immers tot op de draad versleten. 
Eén van de grote problemen van het huidige kerkbestel is de conservatieve theologie. Het is voldoende gekend in welke mate de theologie van de kerkvaders verweven was met denkbeelden die aan de antieke filosofie waren ontleend. De christelijke theologie was bij haar opbouw sterk beïnvloed door een specifieke historische context maar met de opkomst en de doorbraak van de westerse moderniteit is deze context zodanig veranderd dat de klassieke theologie voor een groot deel haar zeggingskracht heeft verloren. De kerken zijn theologisch in premoderne concepten blijven steken. Het gevolg daarvan is dat de kloof tussen de kerk en de moderne wereld in de voorbije eeuwen altijd maar breder en dieper is geworden. Met de huidige leegloop is een voorlopig dieptepunt bereikt.
Vandaag de dag hebben mensen afstand gedaan van het traditionele godsbegrip waarbij God als een zelfstandig wezen wordt gezien. De zogenaamde ontologische theologie heeft voor de westerse mens haar geloofwaardigheid verloren. Mensen van deze tijd geloven niet meer in het religieuze dualisme van god en wereld, schepper en schepping, natuur en bovennatuur. De crisis van kerk en geloof heeft alles te maken met een verouderd wereldbeeld en dito godsbeeld. Er moet dus werk gemaakt worden van een herziening van de basisbegrippen i.v.m. god en godsdienst.

De mens (geworden) Jezus als centraal gegeven binnen het Christendom. 
Het begrip "nieuwe evangelisatie" krijgt hierdoor een heel specifieke inkleuring: het kan zeker niet meer gaan  om restauratie van wat er vroeger was, er is grote nood aan échte vernieuwing. Twintig eeuwen geleden is het christendom ontstaan in een hoog religieuze context, vandaag worden de kerken geconfronteerd met een feitelijk atheïsme. Dit is een nieuw uitgangspunt dat om een nieuwe aanpak vraagt. De moderne cultuur verdraagt geen perspectief meer "vanuit God". 
De moderniteit dwingt kerken en godsdiensten tot een copernicaanse omkering van perspectief. Nieuwe evangelisatie vraagt een “bottom up”-aanpak in plaats van een “top down”-strategie. En daar zijn we nog lang niet aan toe want veel theologische concepten zijn door de traditie zodanig gesacraliseerd dat ze als het ware voor eeuwig vastliggen. Daarmee heeft de katholieke kerk zichzelf schaakmat gezet. 
In een context van feitelijk atheïsme moet het christendom in zijn verkondiging niet langer uitgaan van God maar van Jezus, de mens geworden Zoon van God. Volgens de klassieke theologie is God mens geworden omdat de breuk tussen mens en God na de zondeval alleen maar kon hersteld worden door het levensoffer van zijn Zoon (“het lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld”). Maar deze lezing van het evangelie geeft ook aanleiding tot een andere interpretatie, die minstens even belangrijk is. 
Als wij effectief geloven dat God in Jezus mens is geworden, wil dat zeggen dat in het christendom het oeroude religieuze dualisme is overwonnen. De incarnatie van God in de mens Jezus betekent het dempen van de kloof tussen God en mens, tussen natuur en bovennatuur, tussen hemel en aarde, tussen het heilige en het profane, tussen sacraliteit en seculariteit. Anders gezegd: de menswording van God is de aanzet tot een radicale vermenselijking van de religie, die voor wat het christendom betreft perfect in de lijn ligt van het door en door christelijk concept van de incarnatie. En juist daarin ligt het nieuwe en het unieke van het christendom. 
De christelijke  idee van incarnatie is een mijlpaal in de globale ontwikkeling van het religieuze denken van de mensheid. Maar ze heeft duizelingwekkende consequenties. Als God inderdaad in de persoon van Jezus van Nazareth mens is geworden, wil dat zeggen dat God zelf bij wijze van spreken “geseculariseerd” is, d.w.z. vermenselijkt en verwereldlijkt. Het christendom is dus een heel specifieke vorm van humanisme. Daarin ligt een grote belofte voor de toekomst. In dergelijk perspectief zijn demythologisering en secularisering geen bedreigingen meer maar fasen van een logisch proces van emancipatie, bevrijding, vernieuwing en vooruitgang. 
Het heeft trouwens in de begintijd van het christendom een paar eeuwen van felle theologische discussie gekost om uit te maken of Jezus al dan niet moest beschouwd worden als god, als mens of als god-mens. En het zijn uiteindelijk de keizers geweest die de grote concilies hebben bijeengeroepen waarop het definitieve credo werd vastgelegd met de gekende strakke formulering van “God uit God, licht uit licht, ware God uit de ware God, geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader en door wie alles geschapen is”. De vergoddelijking van Jezus paste natuurlijk perfect in de context van die tijd, waar zowel pausen als keizers erop gesteld waren hun gezag een goddelijke grondslag te verlenen.

Geloven heeft te maken met vertrouwen.
Daarna heeft het christendom vele eeuwen lang in zijn liturgie de klemtoon gelegd op de verheerlijking van God-in-den-hoge. Daarvan getuigen onze kerken en kathedralen, niet alleen met al wat de architectuur en de inrichting uitstralen aan schoonheid, waardigheid en sacrale verhevenheid maar ook met de luister van de liturgie zelf met al wat erbij hoort van mooie gewaden, gouden en zilveren attributen, orgelspel en gregoriaanse gezangen, kaarsen en wierook. De liturgie was bovendien geleidelijk aan het monopolie van een kaste van gewijde ambtsdragers geworden. Dat was het tijdperk van wat men later “het rijke  Roomse leven” heeft genoemd en waar sommigen nog altijd heimwee naar hebben. Het verwijst naar een definitie van religie als “eredienst” en wordt ook juridisch door de burgerlijke overheid als zodanig omschreven (voor de staat is de priester een “bedienaar van de eredienst”). 
Het is tegen de achtergrond van dit type van religie dat niet alleen de huidige leegloop van de kerken maar ook de roepingencrisis moet begrepen worden. Als mensen zeggen dat ze niet meer geloven, verduidelijken ze dat vaak met twee uitspraken: “ik geloof niet meer in god” en “ik ga niet meer naar de mis”. Het is duidelijk dat er tussen die twee beweringen een logisch verband is: als men niet meer in god gelooft, heeft ook de kerkelijke liturgie geen existentiële betekenis meer. Maar de vraag die overblijft is deze of het godsgeloof al dan niet een onmisbare component van de religie is. Anders gezegd: bestaat er religie zonder god? Of moeten we ons godsbegrip herzien? 
Voordat we zeggen dat God wel of niet bestaat, moeten we verduidelijken wat we met de woorden “god” en “bestaan” bedoelen. Veel nieuwe atheïsten doen immers een slag in het water door een verouderd en voorbijgestreefd godsbeeld aan te vechten. Het werkwoord “bestaan” is bovendien ongeschikt om over God te spreken omdat het God reduceert tot onze menselijke categorieën van waarheid en werkelijkheid. Het jammerlijke van het goddebat is er vooral in gelegen dat het verlies van het godsgeloof gelijkgesteld wordt met de volledige en definitieve “uittocht uit de religie” (Gauchet). Dat is noch min noch meer het kind met het badwater weggooien. 
De vraag is dus hoe de begrippen “geloof” en “religie” in de context van de hedendaagse cultuur op een zinvolle manier kunnen ingevuld worden. Dat is niet eenvoudig omdat er vooreerst geen algemeen aanvaarde definitie van religie te vinden is en omdat ook het begrip “geloof” lang niet eenduidig is en ook geen exclusief religieuze term is. Geloof kan zowel te maken hebben met waarheid, zekerheid en juistheid als met overtuiging, verwachting en vermoeden of met vertrouwen en overgave. Maar het minste dat we kunnen zeggen is dat geloof formeel bekeken altijd te maken heeft met een positieve attitude. Zo kan men geloven in de vooruitgang, in wetenschap, in democratie, in vrijheid, in welvaart, enz. In strikt religieuze zin is geloof altijd gekoppeld aan een specifieke inhoud of geloofsleer.

Religie als het vermogen om de dramatiek van het bestaan te transcenderen. 
Voor wat “religie” betreft kunnen we vertrekken van een eenvoudige definitie: religie is openheid voor transcendentie. Precies door zijn innerlijke gerichtheid op het hogere en het betere kunnen we de stelling onderschrijven dat de mens van nature een religieus wezen is en blijft. Maar spaar ons van het platonische dualisme van een volmaakte werkelijkheid in een bovennatuurlijke zijnsorde. De bron van transcendentie moet veeleer gezocht worden in het vermogen van de mens om spiritueel om te gaan met de ambivalentie van het hier en nu. Ten overstaan van onze menselijke gesitueerdheid in de dimensies van ruimte en tijd is religie de dieptedimensie van ons bewustzijn, die het mogelijk maakt om zin en betekenis te geven aan de contingente feitelijkheid van het leven, dat niet alleen getekend is door de beperktheden van onze natuurlijke geaardheid maar ook door allerlei persoonlijke pijnpunten (een zware tegenslag, een verkeerde beslissing, een pijnlijk verlies, een mislukking, een grove fout, enz.) en daar bovenop de onontkoombare en niet te miskennen realiteiten van het lijden, het kwaad en de dood. In die zin kan religie ook omschreven worden als het vermogen om de dramatiek van het menselijk bestaan te transcenderen door deze in een ruimer spiritueel kader te plaatsen. 
Wat we daarvoor nodig hebben is niet een god-in-de-hemel (dat is een voorchristelijk concept) maar een inspirerend mensbeeld. Voor christenen is dat mensbeeld te vinden in de figuur van Jezus van Nazareth. Als christenen Jezus “Zoon van God” genoemd hebben, moet dat niet letterlijk begrepen worden maar symbolisch in die zin dat Jezus voor christenen de belichaming is van “een niet te overtreffen mensbeeld” waaraan door zijn volgelingen het predicaat “goddelijk” werd toegekend. Zo bekeken heeft het epitheton “goddelijk” geen ontologische maar een kwalificatieve betekenis in de aard van “subliem”, “hemels”, “volmaakt”,”absoluut”. Dat komt verrassend dicht in de buurt van de beroemde definitie van Anselmus van Canterbury, die God omschrijft als “dat waarboven niets hoger kan gedacht worden” (id quo maius nil cogitari potest). In de persoon van Jezus biedt het christendom een mensbeeld dat in alle opzichten “transcendent” is ten overstaan van heel het pantheon van andere sterren, modellen en idolen. Godsdienst is dus een zaak van menselijkheid omdat het alles te maken heeft met het verlangen naar ware en volle humaniteit.
Wat dat voor christenen meer concreet betekent, wordt traditioneel omschreven met het Bijbelse begrip van het door Jezus verkondigde “Rijk Gods”. Laten we het zo stellen: mensen kunnen christen gelovigen genoemd worden in zoverre ze zich inzake zingeving en spiritualiteit laten inspireren door wat Jezus als mens onder de mensen heeft verkondigd en voorgeleefd en wat we daarover kunnen lezen in de evangelies. Maar tezelfdertijd is het een hele opgave om het evangelie voor mensen van deze tijd “levensnabij” te brengen: het zijn teksten uit een andere tijd, een andere cultuur en een andere taal. De bijbelteksten stellen ons voor een enorme opgave van exegese, interpretatie en actualisering. Op dat punt is al een hele weg afgelegd maar het werk is niet af en de weerstand tegen vernieuwende interpretaties is groot, vooral in kringen van het kerkelijk establishment. We moeten dus aan de boom blijven schudden want het door Johannes XXIII beloofde aggiornamento wacht met ongeduld op verdere implementatie.

Daniel Vanhoutte - Torhout

Klik hier voor een printervriendelijke versie.Aggiornamento - even doordenken.pdf

Vertel het verder: